Angèle Batteus: “Oorlog is met niets te vergelijken”

Angèle Batteus: “Oorlog is met niets te vergelijken”

interview: Kristin Vangeyte

Hoe heb jij de eerste golf ervaren?

Ik luister elke dag naar het journaal en lees het dagblad. Er hing iets over mij, een soort buikgevoel… dat is toch niet normaal, dacht ik. Al die mensen die uit China de wereld rond vliegen… En we moesten ons griepvaccin nog hebben. Begin maart gingen wij altijd naar de Populier: mensen goedendag zeggen, een kusje geven. Ik was dus toen al voorzichtig, ik voelde aan dat het erger zou worden. Ik ben dan ook niet meer gegaan naar de Populier, ook al wou ik dat graag blijven doen. Maar je ziet, het is nog altijd niet gedaan.

Was je dan bang?

Bang? Vooral instinctief op mijn hoede. Het was een gevoel, ook dat ze niet alles zeiden. En toen dan de mensen in de rusthuizen begonnen ziek te worden, dat was pas echt schrikken. Ik ben wel blij dat ik daar niet was. Maat het is natuurlijk het een of het ander. Ze zorgen goed voor u als je in de Populier bent. Je moet niks doen. Thuis ben je dan weer bij jezelf, je doet wat je wil. Daartegenover staat… bijvoorbeeld vorige week was er hier een lek aan het toilet en daarna haperde mijn tv. Mijn buurvrouw heeft dat gelukkig kunnen oplossen. Toen wilde mijn bed niet meer omhoog klappen. Ja, dat soort zaken moet je dan zelf oplossen natuurlijk.

In juli ben je 93 geworden?

Op 14 juli. Ieder jaar spreken we af met het beetje familie dat we nog hebben: mijn dochter en haar man, mijn nicht en haar man, mijn zus haar dochter, haar zoon en diens vrouw. Met zevenen nog. We kwamen dan iedere keer bijeen hier in de Abdij, een restaurantje erbij. Kijk, hier heb ik foto’s, dat was de editie voor mijn 90ste verjaardag.

Nadien is de 2de golf begonnen.

Ja, ik ben drie maand binnen gebleven. Je moet rekening houden: wij nemen plaspillen. Als je buiten bent en je kunt nergens snel eens binnen: waar kan je heen? Dus dat is niet gemakkelijk. Alleen bij de apotheker ben ik eens te voet gegaan. Dat was plots een ander probleem. Het was echt moeilijk. Ik was blij dat ik er was, ik was op. Ik voel dat ik de capaciteiten niet meer heb van daarvoor. Ah ja, vroeger was ik drie keer in de week op gang: een koffie gaan drinken, eens naar het Kruidvat, …Verder dan het stationsplein moest ik natuurlijk een taxi bellen.

Je zit ook veel meer alleen thuis en de mensen bellen ook niet meer. Ik heb zoveel kennissen, ik zat in zoveel clubkes, van het groen kruis, in Overboelare en van de ziekenzorg. Eén keer heb ik telefoon gehad: een kennis. Ik mocht vroeger af en toe met haar vriend in hun auto mee. Nu op het onverwachts belde ze eens. En dat was goed. Ik bel zelf ook wel eens iemand: zoals bijvoorbeeld die mevrouw in de Baronie die ik gekend heb, ook van het clubke. Zij die daar aangevallen geweest is. Allez… ik met namen eh. Maar die is dus achtervolgd geweest. Het ongeluk zit in een klein hoekje.

Ik zie altijd volk passeren. Soms sta ik eens aan mijn deur en kijk naar hoe de kleuters passeren. ‘t Is wel een drukke straat, dat heeft voor- en nadelen. Ik hou mij graag bezig met iets, lezen of zo. Ik ben altijd redelijk vroeg op en hou mijn routine aan: me wassen, koffie zetten, eten maken, bed opmaken en dan is het al snel half tien.

Maar ik heb nu ook ontdekt dat ze op vrt de voormiddag al eens goede documentaires geven. En ik heb ook veel boeken, waarvan ik er zelfs een paar aan het stadsarchief wil geven! Hier, het leven van Grupello, Bert Delarbre over de neogotiek in Geraardsbergen Jules De Botte, oude liedjes en zo, maar die kan ik misschien beter aan de clubs geven. Dat zijn allemaal liedjes die ze zongen bij OKRA en zo.

Dankjewel! Hoe zie jij de toekomst tegemoet, Angèle?

Goh, dat is een moeilijke vraag. Altijd optimist blijven hé, ‘t zal wel eens ophouden zeker? Mijn man zei altijd: optimist tot in de kist. Je kan er toch niet veel aan doen. Behalve opletten ja, en je verantwoordelijkheid nemen. Weet je wat ik erg vind? Dat je dan leest dat politiemensen worden aangevallen terwijl ze hun werk doen. Dat mag nooit gebeuren! Als wij klein waren, was discipline en respect echt iets wat erin zat. Een papiertje op straat gooien? Dat gebeurde gewoon niet! Respect voor leerkrachten bijvoorbeeld, dat werd er ingelepeld.

Denk je dat er vroeger meer discipline was?

Ja, doen zoals het moet en volgen wat de overheid zegt. Ja, we mogen en moeten ons gedacht zeggen, dat hoort erbij. Het is niet gemakkelijk. Maar beleefdheid is altijd een goed begin. Je moet altijd correct handelen en het is dat wat te wensen overlaat. Omdat er dus minder discipline is. Kinderen doen wat ze willen zonder toezicht. Dat kon vroeger niet.

Sommige mensen zeggen dat corona te vergelijken is met de oorlogstijd? Wat vind jij? Of was dat toch nog veel erger?

“‘t is allemaal erg, op zijn eigen manier. Van corona kan je genezen. Maar in de oorlog: een kogel in je lijf, dan was je eraan natuurlijk. De oorlog was voor ons iets vreselijk, omdat we zo jong waren. Wij waren niet rijk maar konden wel goed overleven. Mijn vader was een goede werkman en maakte meubels. Moeder heeft nog sigaren gemaakt. Mijn ouders hadden zeven kinderen waarvan ik de jongste was. Mijn oudste broer was al getrouwd en was al vader toen ik werd geboren. Daar zat dus veel leeftijdsverschil op.

Mijn moeder had al een kindje verloren door ‘vuur in de buik’, wat nu gewoon een appendicitis heet. Toen kenden ze dat niet. Dat kind is gestorven, het heette ook Angèle. Omdat mijn zus meter was van mij, mocht zij de naam kiezen. Ter ere van haar gestorven zusje koos ze dus Angèle. Maar mijn broer heeft ook een dochter met die naam. En dus hebben we dezelfde naam en achternaam. Ze zit nu in een rusthuis in Evere. Ik kan haar niet meer bellen, want ze is potdoof. Na een kwalijke val is ze naar Evere gegaan omdat haar dochter in Brussel woont. We telefoneerden dus wel, maar hebben elkaar dertig jaar niet meer gezien. Vroeger woonden we allebei in Brussel en gingen we vaak wandelen aan Flagey, aan die vijver daar. Daar had ze een winkel. Later verhuisden we allemaal terug naar onze geboortestreek na bedrijfsreorganisaties. Zo zijn we hier beland.

(wordt even stil)

Weet je dat ik nog altijd het geluid hoor van Duitse botten op kasseistenen. En ze zongen er vaak ook bij. Dat hoor ik nu nog. En de mensen die ze altijd oppakten. We hadden zelf geen schrik, maar we hoorden wel over mensen die werden weggevoerd. Onder andere op de Vesten. We hadden ook geen eten, we aten ‘zenuwkes’. Melk en eieren waren schaars. Je kan verschillende tijden niet met elkaar vergelijken. Ik heb ook meegemaakt dat ze de bommen hier gesmeten hebben. Toen zat ik met mijn zuster en haar kind op een binnenkoer. En plots hoorde je die oorverdovende zoem die aan een bominslag voorafgaat. Nee, iemand die oorlog niet heeft meegemaakt, kan niet weten wat het is.

Stel nu: er komt een vaccin en je krijgt dat. En je kan erop vertrouwen. Wat is het eerste wat je zal doen als alles weer open is?

Hier, in de gazet staat een foto. Zie je wat het is? Dat is mijn antwoord: nog eens naar de zee gaan! Dat zou ik nog wel eens willen doen, gewoon om ze te zien. We hebben dat nog gedaan met de gepensioneerdenclub en met de Populier. Wie weet, als de Populier de activiteiten kan hervatten…

We duimen dat dat zo snel mogelijk weer kan!